Zoals jullie in mijn eerste artikel hebben kunnen lezen reis ik met de auto het halve (soms hele) land door. Zodoende maak ik een fors aantal kilometers, waarvan ik er heel veel stilsta of langzaam rijd. Dit ongemak, dat bekend staat als ‘file’, hoort nu eenmaal bij het volle Nederland, de Randstad in het bijzonder, maar daar wil ik het hier nu niet over hebben. Wat ik in dit artikel wil doen is een onderverdeling maken in de verschillende typen autorijder die ik regelmatig tegenkom. Daarbij wil ik het onderscheid tussen de seksen buiten beschouwing laten, al zijn er duidelijke verschillen in rijgedrag. Echter, zonder aanziens des geslachts, waar ‘hij’ staat mag soms ook ‘zij’ gelezen worden, wil ik de navolgende typen chauffeurs onderscheiden in willekeurige volgorde:
1. de inhouler: dit type automobilist haalt mij in op de snelweg met een klein snelheidsverschil, om vervolgens, als hij mij bijna helemaal voorbij is, weer gas terug te nemen, omdat hij zich wellicht bedenkt dat hij te hard gaat en niet harder durft uit angst geflitst te worden. Vooral op de snelwegen rond de grote steden in de Randstad, waar slechts 80 mag worden gereden, vinden veel trajectcontroles plaats en het is vooral dáár dat ik dit type tegenkom. Dus eerst inhálen en dan inhóuden, erg vervelend, omdat ik wél constant rijd en daardoor dreig hém weer in te halen, met dat verschil, dat ik rechts rijd en hem dus, als ik niet uitkijk, rechts ga inhalen, hetgeen buiten de file niet is toegestaan. Moet ik gewoon doorgaan of ook inhouden, achterlangs en links voorbij gaan? Ik weet het niet, u?;
2. de 110-rijder: er zijn heel veel verschillende snelheidslimieten in Nederland, variërend van 30 tot 120 kilometer per uur, maar ik heb het hier even over de snelweg en daar geldt over het algemeen 100 of 120 als limiet. Ik ben zo’n fatsoensrakker die zich over het algemeen keurig aan de juiste limiet houdt, dus 100 of 120, naar gelang hetgeen wordt aangegeven. Maar, er zijn ook van die automobilisten die iets te hard rijden waar je 100 mag en, u raadt het misschien al, iets te langzaam waar je 120 mag. Ze hebben dus een snelheid die er tussenin ligt, ongeveer 110. Ik kom ze wel tachtig keer tegen onderweg. Ze rijden dan wel redelijk constant, maar ik vind het ergens storend. Bovendien, op de plaatsen waar slechts 100 mag worden gereden lopen ze ook nog eens de kans geflitst te worden. Houd je aan de geldende limiet en je bent net zo snel op je eindbestemming, zonder bekeuring;
3. de niet-constante rijder: een variant op nummer 2. Rijdt altijd te hard of te langzaam, maar op een onvoorspelbare manier, los van snelheidslimieten. Met mijn redelijk constante en consequente rijgedrag kom ik ook dit type tachtig keer op dezelfde weg tegen. Zo mogelijk nog irritanter;
4. de kamelenrijder: u kent hem vast wel, de overwegend jonge man (nu moet ik wel even onderscheid naar sekse maken) die zijn linkerhand over het stuur laat hangen en met zijn rechterarm op de eventueel aanwezige middensteun leunt, waardoor een naar rechts overhellende lichaamshouding ontstaat. De naam heb ik ontleend aan een zeer foute mop die ik eens gehoord heb: “Waarom zitten Marokkaanse jongeren vaak naar rechts hangend in de auto?” Antwoord: “Dat hebben ze nog uit de tijd dat ze in Marokko op een kameel zaten. Zo keken ze om de kop van de kameel heen.” Zoals gezegd, heel fout en bovendien, het zijn niet alleen Marokkaanse jongeren die hangen in de auto, maar jongeren in het algemeen. Meestal het soort dat in het bezit is van een opgevoerde, van spoilers en andere toeters en bellen voorziene (‘gepimpte’) auto van het type Opel Astra, Ford Escort, VW Golf of Honda Civic (de zogenaamde ‘Poor Man’s Ferrari’). Maar ik noem ze voor de duidelijkheid allemaal maar even kamelenrijders. Sorry medelanders;
5. het heen-en-weertype : OK, toch even een filetype, namelijk de chauffeur die meent dat de andere rijbaan net iets sneller gaat dan die waarin hij zit, totdat hij van rijstrook gewisseld is en tot de conclusie komt dat de ándere weer net wat sneller gaat enz. Erg storend en de schrik van de motorrijder die, zoals bekend, tegenwoordig tussen de file door mag rijden met een niet al te groot snelheidverschil (hoewel daar wel eens van afgeweken wordt). Van dit soort krijg ik zelf ook het heen en weer;
6. de "Fuck you"- of "Oh ja"-rijder: ook zeer irritant. Ik rijd keurig met de toegestane snelheid en wil iemand inhalen die nét iets onder de limiet rijdt. Op het moment dat ik hem voorbij lijk te gaan geeft hij gas bij, als ware het dat hij denkt "Bekijk het maar, ik laat mij niet inhalen", of "Oh ja, ik mag hier ... kilometer per uur rijden, laat ik er wat aan doen" en ben ik gedwongen om onverrichterzake op mijn schreden terug te keren en weer naar rechts te gaan.
Ach, zo zou ik nog een tijdje door kunnen gaan. Maar de meesten van ons kennen de overige types wel: de onzekere, vaak oudere rijders (de beruchte man met de hoed of het oude dametje in haar koekblik), de bumperklevers (vaak in een BMW of Mercedes) en andere jakkeraars. Enfin, daar hoef ik niet verder op in te gaan. Ik wilde jullie even laten delen in mijn ergernissen, al is dat wat zwaar uitgedrukt. Het is ook zeker niet de eerste keer dat er een poging is gedaan autorijders in te delen in categorieën, daarin ben ik niet origineel. Wel meen ik dat ik bepaalde door mij genoemde typen niet eerder benoemd heb zien worden (behalve dan het heen-en-weertype), maar ik kan mij vergissen. De meeste van de besproken typen komen trouwens op de snelweg voor. De bekende gevaarlijke manoeuvres op provinciale wegen zijn jullie vast ook wel bekend.
Excuses voor de soms generaliserende toon in mijn stukje, maar u moet er een beetje de ironie van inzien en trouwens, generaliseren doen we allemaal (en ook dat is weer generaliserend).
Uiteraard houd ik mij aanbevolen als u nog aanvullende typen weet te benoemen die u nog niet eerder in woord of geschrift bent tegengekomen.
Dit was niet bepaald een stukje van hetzelfde intellectuele allooi als het voorgaande, maar dat maak ik in het volgende wel weer goed.
maandag 21 juli 2008
zaterdag 19 juli 2008
Een literaire snob
Al sinds mijn vroege jeugd, toen ik naast het draaien van 45-toerenplaatjes begon met het lezen van boeken, verbaast het me hoe mensen al die boeken kunnen schrijven. En het is mij allengs meer en meer gaan verbazen. Met groot genoegen las ik als kind de hele Pietje Bell- en Dik Tromserie bij elkaar. Van hoogstaande literatuur had ik nog geen benul. Daar ben je als kind nog niet mee bezig. Gewoon een leuk jongensboek, zo heette dat toen nog, was alles wat je wilde. Pas op latere leeftijd wordt dat snobistische besef vooral bij de intellectuele en/of hoger geschoolde jongeling aangekweekt: het onderscheid tussen literatuur en ‘pulp’. Op de middelbare school, zo heette het voortgezet onderwijs toen nog, werd ons door de docent Nederlands geleerd dat er zoiets bestond als ‘Literatuur’ met een grote ‘L’. Op de letterenfaculteit van de universiteit in Tilburg werd dat nog eens extra aangedikt door de literatuursociologie en vooral de tekstwetenschap. Mijn hoogleraar Jan Renkema (U weet wel, van de ‘Schrijfwijzer’) probeerde door middel van lettertjes en woordjes tellen aan te tonen dat de ‘echte’ literatuur langere woorden en zinnen gebruikte en beweerde ook nog dat het woordgebruik over het algemeen moeilijker was. Ik vroeg mij toen al af wat dat betekende voor de literaire erkenning van de Jannen Wolkers en Cremer, maar goed.
Ik dwaal af. Ik vroeg mij dus al lang geleden af hoe mensen al die boeken volgeschreven kregen. Als ik heden ten dage ook weer zie hoe er elke week weer vele nieuwe boeken in de boekhandel liggen, bij Pauw en Witteman elke dag wel een gast aan tafel zit die een boek geschreven heeft en als ik alle kranten en weblogs zie volstaan met korte stukjes (columns) die zich later weer lenen voor bundeling, dan merk ik dat er niet alleen wat wordt afgeluld, maar ook -geschreven. Enfin, ik doe er op dit ogenblik vrolijk aan mee.
Goed, ik lees dus graag, maar ik zou in nog geen honderd mensenlevens alles kunnen lezen wat er ooit aan belangwekkends in welke taal dan ook is geschreven. Bedoel ik in dit verband met belangwekkends trouwens die al eerder genoemde Literatuur met hoofdletter ‘L’? Ik durf te zeggen dat het wat dat betreft met mijn cultureel snobisme, zeker sinds de universiteit, geramd zit. Ja, ik beken. Ik ben een elitair liefhebber van literatuur, waarbij opgemerkt dient te worden dat ik niet alleen fictie lees, maar ook veel bundels met essays, columns (daar heb je ze), lezingen, stukken over ‘literaire’ schrijvers, bloemlezingen (zowel poëzie als proza) etc. Denk daarbij aan schrijvers als Rudy Kousbroek, Kees Fens (onlangs overleden), Dick Hillenius (†1987), Nico Scheepmaker (†1990) en Gerrit Komrij (heel goed in bloemlezen!). Wel moet ik eerlijk toegeven dat de reeds genoemde columns de literaire kritiek al sinds Carmiggelt (†1987) met zijn Kronkels hoofdbrekens bezorgen. Literatuur of niet? Ik moet zeggen dat ik me daar weinig van aantrek. Ik vindt het gewoon leuke stukjes om te lezen, vooral als het om columns gaat die niet al te zeer aan de op het moment van schrijven actuele politieke of maatschappelijke situatie gebonden zijn. Want dat maakt een column gedateerd en soms niet te begrijpen, simpelweg omdat de namen en situaties die er in voorkomen je niets meer zeggen. Vooral bij Youp van 't Hek is dat nogal eens het geval. En toch heb ik al zijn boeken en ken ik praktisch al zijn shows gewoon omdat hij leuk is, maar de eeuwigheid zullen zijn columns noch shows halen. Columnisten die minder gevoelig zijn voor de dan geldende actualiteit zijn de al eerder genoemde Simon Carmiggelt en mensen als Remco Campert, Hugo Brandt Corstius, Kees van Kooten, Jan Hein Donner (†1988, maar nog steeds goed leesbaar) en zo verder. Deze mannen, ik geef toe dat ik om een of andere duistere reden weinig vrouwen lees, Renate Dorrestein is een van de weinige uitzonderingen, hebben stukjes geschreven die een zekere 'literaire' eeuwigheidswaarde bezitten, omdat ze gaan over zaken van alle tijden als leven, dood en liefde of over allerlei filosofische kwesties van alle tijden. Dus ondanks mijn elitaire houding, die er voor zorgt dat ik geen streekromans, detectives en dokterromans lees, omdat ik dat tijdverspilling vind, is er toch nog ruimte voor wat luchtiger vermaak in de gedaante van voornoemde grensgevallen.
Vaak lees ik in het ene boek (meestal één met essays, een soort opstellen) iets over een ander boek. Vervolgens kom ik dat boek tegen in boek- of kringloopwinkel, schaf het aan en lees het. Over kringloopwinkels geschreven, dat is een verhaal apart. Ik ben er een aantal jaren geleden mee begonnen: het regelmatig bezoeken van deze muffe, stoffig ruikende winkels waar soms mensen komen waar ik liever niet mee gezien wil worden (wat is dat weer heerlijk snobistisch), al loopt er vaak genoeg wel eens iemand tussen zoals ik die er een sport van heeft gemaakt de boeken die hij graag wil hebben op deze manier te verzamelen. Ik kom wel eens met zo iemand in gesprek, vandaar dat ik dat weet. Inmiddels heb ik zo mijn favoriete winkels, vooral in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht. Beroepshalve rijdt ik het halve land door en zodoende ken ik inmiddels de kringloopwinkels in Delft, Den Haag, Leiden, Alphen a/d Rijn, Leerdam, Gorinchem, Zwaanshoek (gemeente Haarlemmermeer), Amstelveen, Mijdrecht en Woerden. Sommige winkels zijn mij dierbaarder dan andere. Ook zijn er behoorlijke prijsverschillen. De meeste en mooiste boeken heb ik toch wel gevonden in een kringloopwinkel in Den Haag. Bijvoorbeeld een eerste druk van 'Noorderlicht' van Ferdinand Bordewijk uit 1948, een eerste druk van 'Eenzaam maar niet Alleen' van voormalig koningin Wilhelmina uit 1959 of een tweede druk van 'De Donkere Kamer van Damocles' van W. F. Hermans uit 1959 (maar ook nieuwere boeken zoals 'Duizend Schitterende Zonnen' van Khaled Hosseini, tevens auteur van 'De Vliegeraar', en boeken van hedendaagse Nederlandse auteurs die gewoon nog in de reguliere handel voor een reguliere prijs te koop zijn, niet persé eerste drukken). En dat alles voor 50 of 75 eurocent per stuk! U leest het, ik heb al heel wat koopjes op de kop getikt, vaak boeken die je in de boekhandel nooit zult vinden, om de simpele reden dat ze daar alleen nieuwe boeken verkopen en geen eerste of tweede drukken. Die vind je meestal in antiquariaten die er een antiquarische (lees hoge) prijs voor vragen. Om op de kringloopwinkels terug te komen: heel veel boeken en ook andere spullen in kringloopwinkels zijn afkomstig uit huishoudens van overleden mensen of ouden van dagen die naar het tehuis gaan en waarvan de kennissen en/of familie zich ontfermen over de inboedel. Daarbij wordt blijkbaar vooral bij boeken al vaak gedacht: “Die oude boeken hoef ik niet te hebben, dus weg er mee”, niet wetende dat er soms juweeltjes bij zitten waar een literaire snob zoals ik zijn vingers bij aflikt. En bij de betreffende winkels zelf werken ook al geen hooggeschoolde of intellectuele lieden met enig antiquarisch benul en zo kan het dus gebeuren dat ik af en toe goud in mijn handen heb: een zeldzaam boek dat ik voor een habbekrats mijn eigendom mag noemen. Mijn vrienden zeggen: “Zet ze op Marktplaats”, maar ik vind het gewoon leuk om die boeken te bezitten en ook te lezen, waarbij ik het dragen van witte handschoentjes, zoals door de door mij zeer betreurde en nog deerlijk gemiste Boudewijn Büch, maar achterwege laat. Bovendien, zoveel brengen die antiquarische boeken nu ook weer niet op, hooguit een euro of twaalf per stuk.
Op deze wijze verzamel ik dus mijn eigen persoonlijke boekencollectie bijeen en ontstaat er vanzelf een doorsnede van vooral de Nederlandse literatuur vanaf pakweg 1860 (Max Havelaar) tot heden. Een doorsnede is een mooi excuus om niet alles wat er is geschreven te hoeven lezen, ware dat al mogelijk. En zo lees ik mij door het leven in de wetenschap dat ik niets van die kennis en belezenheid met mij mee kan nemen in het graf. Maar tijdens dit leven is het toch een levensvreugdverhogende bezigheid.
Ik dwaal af. Ik vroeg mij dus al lang geleden af hoe mensen al die boeken volgeschreven kregen. Als ik heden ten dage ook weer zie hoe er elke week weer vele nieuwe boeken in de boekhandel liggen, bij Pauw en Witteman elke dag wel een gast aan tafel zit die een boek geschreven heeft en als ik alle kranten en weblogs zie volstaan met korte stukjes (columns) die zich later weer lenen voor bundeling, dan merk ik dat er niet alleen wat wordt afgeluld, maar ook -geschreven. Enfin, ik doe er op dit ogenblik vrolijk aan mee.
Goed, ik lees dus graag, maar ik zou in nog geen honderd mensenlevens alles kunnen lezen wat er ooit aan belangwekkends in welke taal dan ook is geschreven. Bedoel ik in dit verband met belangwekkends trouwens die al eerder genoemde Literatuur met hoofdletter ‘L’? Ik durf te zeggen dat het wat dat betreft met mijn cultureel snobisme, zeker sinds de universiteit, geramd zit. Ja, ik beken. Ik ben een elitair liefhebber van literatuur, waarbij opgemerkt dient te worden dat ik niet alleen fictie lees, maar ook veel bundels met essays, columns (daar heb je ze), lezingen, stukken over ‘literaire’ schrijvers, bloemlezingen (zowel poëzie als proza) etc. Denk daarbij aan schrijvers als Rudy Kousbroek, Kees Fens (onlangs overleden), Dick Hillenius (†1987), Nico Scheepmaker (†1990) en Gerrit Komrij (heel goed in bloemlezen!). Wel moet ik eerlijk toegeven dat de reeds genoemde columns de literaire kritiek al sinds Carmiggelt (†1987) met zijn Kronkels hoofdbrekens bezorgen. Literatuur of niet? Ik moet zeggen dat ik me daar weinig van aantrek. Ik vindt het gewoon leuke stukjes om te lezen, vooral als het om columns gaat die niet al te zeer aan de op het moment van schrijven actuele politieke of maatschappelijke situatie gebonden zijn. Want dat maakt een column gedateerd en soms niet te begrijpen, simpelweg omdat de namen en situaties die er in voorkomen je niets meer zeggen. Vooral bij Youp van 't Hek is dat nogal eens het geval. En toch heb ik al zijn boeken en ken ik praktisch al zijn shows gewoon omdat hij leuk is, maar de eeuwigheid zullen zijn columns noch shows halen. Columnisten die minder gevoelig zijn voor de dan geldende actualiteit zijn de al eerder genoemde Simon Carmiggelt en mensen als Remco Campert, Hugo Brandt Corstius, Kees van Kooten, Jan Hein Donner (†1988, maar nog steeds goed leesbaar) en zo verder. Deze mannen, ik geef toe dat ik om een of andere duistere reden weinig vrouwen lees, Renate Dorrestein is een van de weinige uitzonderingen, hebben stukjes geschreven die een zekere 'literaire' eeuwigheidswaarde bezitten, omdat ze gaan over zaken van alle tijden als leven, dood en liefde of over allerlei filosofische kwesties van alle tijden. Dus ondanks mijn elitaire houding, die er voor zorgt dat ik geen streekromans, detectives en dokterromans lees, omdat ik dat tijdverspilling vind, is er toch nog ruimte voor wat luchtiger vermaak in de gedaante van voornoemde grensgevallen.
Vaak lees ik in het ene boek (meestal één met essays, een soort opstellen) iets over een ander boek. Vervolgens kom ik dat boek tegen in boek- of kringloopwinkel, schaf het aan en lees het. Over kringloopwinkels geschreven, dat is een verhaal apart. Ik ben er een aantal jaren geleden mee begonnen: het regelmatig bezoeken van deze muffe, stoffig ruikende winkels waar soms mensen komen waar ik liever niet mee gezien wil worden (wat is dat weer heerlijk snobistisch), al loopt er vaak genoeg wel eens iemand tussen zoals ik die er een sport van heeft gemaakt de boeken die hij graag wil hebben op deze manier te verzamelen. Ik kom wel eens met zo iemand in gesprek, vandaar dat ik dat weet. Inmiddels heb ik zo mijn favoriete winkels, vooral in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht. Beroepshalve rijdt ik het halve land door en zodoende ken ik inmiddels de kringloopwinkels in Delft, Den Haag, Leiden, Alphen a/d Rijn, Leerdam, Gorinchem, Zwaanshoek (gemeente Haarlemmermeer), Amstelveen, Mijdrecht en Woerden. Sommige winkels zijn mij dierbaarder dan andere. Ook zijn er behoorlijke prijsverschillen. De meeste en mooiste boeken heb ik toch wel gevonden in een kringloopwinkel in Den Haag. Bijvoorbeeld een eerste druk van 'Noorderlicht' van Ferdinand Bordewijk uit 1948, een eerste druk van 'Eenzaam maar niet Alleen' van voormalig koningin Wilhelmina uit 1959 of een tweede druk van 'De Donkere Kamer van Damocles' van W. F. Hermans uit 1959 (maar ook nieuwere boeken zoals 'Duizend Schitterende Zonnen' van Khaled Hosseini, tevens auteur van 'De Vliegeraar', en boeken van hedendaagse Nederlandse auteurs die gewoon nog in de reguliere handel voor een reguliere prijs te koop zijn, niet persé eerste drukken). En dat alles voor 50 of 75 eurocent per stuk! U leest het, ik heb al heel wat koopjes op de kop getikt, vaak boeken die je in de boekhandel nooit zult vinden, om de simpele reden dat ze daar alleen nieuwe boeken verkopen en geen eerste of tweede drukken. Die vind je meestal in antiquariaten die er een antiquarische (lees hoge) prijs voor vragen. Om op de kringloopwinkels terug te komen: heel veel boeken en ook andere spullen in kringloopwinkels zijn afkomstig uit huishoudens van overleden mensen of ouden van dagen die naar het tehuis gaan en waarvan de kennissen en/of familie zich ontfermen over de inboedel. Daarbij wordt blijkbaar vooral bij boeken al vaak gedacht: “Die oude boeken hoef ik niet te hebben, dus weg er mee”, niet wetende dat er soms juweeltjes bij zitten waar een literaire snob zoals ik zijn vingers bij aflikt. En bij de betreffende winkels zelf werken ook al geen hooggeschoolde of intellectuele lieden met enig antiquarisch benul en zo kan het dus gebeuren dat ik af en toe goud in mijn handen heb: een zeldzaam boek dat ik voor een habbekrats mijn eigendom mag noemen. Mijn vrienden zeggen: “Zet ze op Marktplaats”, maar ik vind het gewoon leuk om die boeken te bezitten en ook te lezen, waarbij ik het dragen van witte handschoentjes, zoals door de door mij zeer betreurde en nog deerlijk gemiste Boudewijn Büch, maar achterwege laat. Bovendien, zoveel brengen die antiquarische boeken nu ook weer niet op, hooguit een euro of twaalf per stuk.
Op deze wijze verzamel ik dus mijn eigen persoonlijke boekencollectie bijeen en ontstaat er vanzelf een doorsnede van vooral de Nederlandse literatuur vanaf pakweg 1860 (Max Havelaar) tot heden. Een doorsnede is een mooi excuus om niet alles wat er is geschreven te hoeven lezen, ware dat al mogelijk. En zo lees ik mij door het leven in de wetenschap dat ik niets van die kennis en belezenheid met mij mee kan nemen in het graf. Maar tijdens dit leven is het toch een levensvreugdverhogende bezigheid.
Abonneren op:
Posts (Atom)