Wanneer u mijn profiel bekijkt, dan kunt u mijn voorkeuren lezen met betrekking tot literatuur en muziek. Over literatuur heb ik het al regelmatig gehad, dus laat ik het eens over muziek hebben. Ik had u al verteld over die platencollectie van mij (in het artikel “Verveling is een vies woord”), die ik met bloed, zweet en tranen had samengesteld. Het begon al in 1968. Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik van mijn ouders een pick-up. Later, in het HiFi-tijdperk ging men spreken van ‘platenspeler’. Maar ik kreeg een pick-up. Een klein platenspelertje waarvan de draaitafel de grootte had van een 45-toerensingeltje, met een deksel, die je er uiteraard eerst af moest halen en die met een snoertje verbonden was met de pick-up, omdat de luidspreker erin verborgen zat. Die zette je dan rechtop. Ja, één luidspreker, want we hebben het hier over mono. Stereo stond nog in de kinderschoenen. Je kón er een LP op afspelen, er zat een knopje op om te schakelen tussen 33 en 45 toeren per minuut, maar dan stak deze behoorlijk buiten de rand van de draaitafel. LP’s zag je echter nog nauwelijks, ik kende eigenlijk alleen maar singles. Mijn allereerste single was als ik mij goed herinner “World” van The Bee Gees, al kan het ook “Good Vibrations” van The Beach Boys zijn geweest, die ik van mijn oma kreeg. Later kwamen er nog meer Bee Gees bij en plaatjes van The Beatles, The Hollies, The Small Faces, The Move, The Rolling Stones, The Kinks, The Monkees, enfin, vaak Engelse bandjes (op de The Beach Boys en The Monkees na), bijna altijd voorzien van het lidwoord “The”, hetgeen tegenwoordig een uitzondering is. Heel af en toe een Nederlandse band als The Motions en The Tea Set (ook al The). Regelmatig liep ik met mijn zakgeld langs de Delftse grachten naar de platenwinkel. De spanning en sensatie die het kopen en het thuis draaien van het plaatje teweeg brachten is voor de huidige mp3-generatie oninvoelbaar. Dat gevoel is voorgoed verdwenen dankzij de vooruitgang.
In 1974 kreeg ik mijn eerste (en naar later bleek ook laatste, want tot aan mijn eerste CD-speler in 1989 heb ik nooit een andere gekocht of gekregen, want het apparaat was nagenoeg onverslijtbaar) HiFi-platenspeler met magnetodynamisch element. Die had een grotere draaitafel, beter geschikt voor LP’s, en was natuurlijk stereofonisch. In combinatie met een goede versterker en dito koptelefoon leverde dat een voor de jaren zeventig fantastische geluidskwaliteit op. Zeker na dat kleine pick-upje was het een enorme sprong voorwaarts. Eén van mijn eerste LP’s was Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles. Een plaat die toen pas zeven jaar uit was en die nu bekend staat als wellicht de grootste klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek. Later, in 1977, kreeg ik dankzij aanbevelingen van klasgenoten van mijn school interesse voor de progressieve rock van begin jaren zeventig. In die vroege zeventiger jaren zelf was ik er waarschijnlijk nog te jong voor, tussen de tien en de veertien jaar. Voor die muziek, de progrock, moest je toch wat ouder zijn. Pas na meerdere malen luisteren ging ik met name de “oude” Genesis, dat wil zeggen met Peter Gabriel als leadzanger, waarderen. Vlak daarna kwam King Crimson rond gitarist Robert Fripp. Een mengeling van rock en jazz resulterend in een muziek die ongehoord was. Niet iedereen zal er mee weglopen, je moet er van houden. David Bowie is een twijfelgeval. Hij wordt gerekend tot de popmuziek. Hij was dan ook uiterst populair in de periode 1972 (Ziggy Stardust) tot 1983 (Let’s Dance). Elke plaat totaal verschillend en toch goed. Mijn eerste Bowie-plaat was “Heroes” uit 1977, het jaar dat ik oor kreeg voor de progressievere kant van de muziek, waartoe ik Bowie dan ook maar even reken, al waren de hoogtijdagen toen inmiddels voorbij. Maar Bowie ging eigenlijk zijn eigen gang, was niet in te delen. Want al was hij mateloos populair, een plaat als “Heroes” kon je met de beste wil van de wereld geen gewone popplaat noemen. Daar was de muziek veel te afwijkend voor. Wat wil je ook als de zojuist genoemde gitarist Robert Fripp een groot aandeel in de muziek had. De gitaar die de hele tijd door het titelnummer jankt was van zijn hand bespeeld. Maar Bowie kwam er mee weg. Was hij op het moment dat “Heroes” uitkwam niet zo beroemd geweest, dan was die plaat ongetwijfeld nooit zo’n succes geworden, wat achteraf onterecht zou zijn geweest, want hij mag wat mij betreft met Sgt. Pepper’s op een gedeelde eerste plaats staan. Welbeschouwd is de progrock nooit weggeweest. Bands als Marillion, Klaatu, Anekdoten en Gordian Knot pikken of pikten hun graantjes mee, maar doen of deden dat zeker niet onverdienstelijk. En King Crimson bleef, in telkens gewijzigde samenstelling overigens (Fripp was de enige constante factor) terugkomen. In 2003 hebben ze nog een CD uitgebracht. En zelfs naar huidige maarstaven blijft het vooruitstrevend te noemen. Muziek die met niets te vergelijken is.
Tot op heden ben ik mijn liefde voor de progrock niet kwijtgeraakt. Ik mag er nog graag naar luisteren. En wat de muziek van deze tijd betreft gaat mijn voorkeur uit naar muzikanten die hun eigen gang gaan en melodieuze, vaak door The Beatles geïnspireerde muziek maken. Denk aan Keane, Coldplay, R.E.M. en Radio Head. De laatste twee bands bestaan al weer wat langer.
Waar ik niet van houd is jazz (wel in combinatie met rock), blues, en de Nederlandse smartlap. Voor mijn geen André Hazes, Frans Bauer en Jan Smit. Houdt u er wel van, dan is dat uw goed recht. Maar mijn smaak is het niet. De Nederlandstalige popmuziek droeg ik vooral in de jaren tachtig een warm hart toe. Frank Boeijen, Het Goede Doel, Toontje Lager, Het Klein Orkest (Doe Maar doe maar niet), noem maar op. Ook nu nog is er De Dijk en Thé Lau, maar er erg warm voor lopen doe ik niet meer. Hoeveel ik ook van de Nederlandse taal houd, mijn hart ligt toch bij de Engelstalige, in het bijzonder de Britse, muziek.
Tja, en dan is daar nog de klassieke muziek. Zo fanatiek als Maarten ’t Hart, Simon Vestdijk en Paul Witteman zal ik nooit worden, maar bij tijd en wijle zoek ik toch de rust van Mozart, Bach, Chopin, Haydn en Brahms. Even geen vervormde gitaren en rauwe stemmen. Of iets elektronisch als Jean Michel Jarre. Kun je ook heerlijk bij wegdromen. Maar, na een tijdje begint het toch weer te kriebelen en zoek ik weer wat stevigers. Al is de echte hard rock of heavy metal aan mij niet besteed. Daar word ik alleen maar onrustig van.
Terwijl ik dit schrijf luister ik met de koptelefoon naar Gordian Knot vanaf de harde schijf. Een soort neo-King Crimson, maar wel goed en er wordt geen noot in gezongen. Puur instrumentaal dus. Komt ook vaak voor in mijn muziekkeuze, zeker in de progressieve en de elektronische hoek. Bij dezen heb ik meteen verklapt dat de goeie ouwe LP vervangen is door de harde schijf van de computer. Ook heb ik nog een “ouderwetse” tuner-versterker met geluidsboxen en een DVD-speler (CD-spelers zijn al niet meer te koop) voor het afspelen van genoemde glimmende schijfjes. En natuurlijk heb ik ook wel een mp3-spelertje, al is die inmiddels antiek te noemen. Slechts 128 MB ! (kan net twee albums bevatten). Maar die gebruik ik niet zoveel. Tot slot is de auto, waar ik zoals u al uit een eerder stukje hebt begrepen vrij veel in zit, de plek waar ik vaak naar de radio luister (meestal Radio 1 voor de actualiteiten) en af en toe een CD-tje draai.
maandag 8 september 2008
dinsdag 2 september 2008
Op straat (2)
A "Hé hi, wat leuk jou weer eens te zien. Alles alright old boy?"
B "Hallo. Eh ja, prima, met jou?"
A "Yes, fabeltastisch."
B "Eh, fijn te horen."
A "Long time no see. In wat voor business zit jij tegenwoordig?"
B "Ik werk bij de gemeente."
A "OK dan. Weet je wat mijn ding is?"
B "Nou? "
A "Ik heb mijn eigen company."
B "Goh, wat leuk joh. Waarin dan?"
A "Oh, ik rommel wat aan in de finance. You know, financiële adviezen voor andere companies. Ik beheers zo'n beetje hun cash flow en meer van dat soort issues. Dat is mijn core business."
B "Tjee, wat goed van je. Een eigen bedrijf beginnen in deze tijd. Jij durft!"
A "Ach, dat valt wel mee. Gewoon doen. Finance is trouwens helemaal hot en mijn company doet het goed. Top of the bill."
B "Nou, fijn voor je jongen. Maarreh, ik moet er weer eens vandoor, want ik was op weg naar mijn werk. We moeten maar eens een afspraak maken om wat bij te kletsen."
A "Helemaal OK. Hier heb je mijn company card met mijn telefoonnummer. Bel me maar een keer voor een appointment. Dan ga ik ook weer verder. See you!"
B "Ja, jij ook tot ziens!"
........
B (tegen zichzelf) "Wie was dat in hemelsnaam?" (kijkt op het visitekaartje) "De naam zegt me helemaal niets. Heeft zeker een tijdje in het buitenland gewoond. Hij praatte zo raar."
B "Hallo. Eh ja, prima, met jou?"
A "Yes, fabeltastisch."
B "Eh, fijn te horen."
A "Long time no see. In wat voor business zit jij tegenwoordig?"
B "Ik werk bij de gemeente."
A "OK dan. Weet je wat mijn ding is?"
B "Nou? "
A "Ik heb mijn eigen company."
B "Goh, wat leuk joh. Waarin dan?"
A "Oh, ik rommel wat aan in de finance. You know, financiële adviezen voor andere companies. Ik beheers zo'n beetje hun cash flow en meer van dat soort issues. Dat is mijn core business."
B "Tjee, wat goed van je. Een eigen bedrijf beginnen in deze tijd. Jij durft!"
A "Ach, dat valt wel mee. Gewoon doen. Finance is trouwens helemaal hot en mijn company doet het goed. Top of the bill."
B "Nou, fijn voor je jongen. Maarreh, ik moet er weer eens vandoor, want ik was op weg naar mijn werk. We moeten maar eens een afspraak maken om wat bij te kletsen."
A "Helemaal OK. Hier heb je mijn company card met mijn telefoonnummer. Bel me maar een keer voor een appointment. Dan ga ik ook weer verder. See you!"
B "Ja, jij ook tot ziens!"
........
B (tegen zichzelf) "Wie was dat in hemelsnaam?" (kijkt op het visitekaartje) "De naam zegt me helemaal niets. Heeft zeker een tijdje in het buitenland gewoond. Hij praatte zo raar."
dinsdag 26 augustus 2008
Je ne sais pas
Zo hoort u ruim een week niets van mij en zo treft u twee artikelen op één dag aan. Het kan verkeren zoals Bredero ter afsluiting van zijn toneelspelen schreef. Ik heb weer erg veel gelezen de laatste week, ook al laat de zomer het danig afweten en kan ik vaak niet op mijn favoriete leesplekje gaan zitten, namelijk in de tuin. Maar goed, ik ben er weer.
Onlangs schreef ik op dit weblog over religie in het artikel "De draaglijke onzekerheid van het bestaan". Hoe ik er zelf over denk is misschien niet helemaal uit dat artikel duidelijk geworden. Uit het stukje van vorige week getiteld "Op straat" is hopelijk wel gebleken dat ik geen ietsist ben en mij ook niet zo laat noemen. Het stukje was dan ook geheel fictie. Ik ben niet die persoon die in het 'Iets' gelooft. Ik noem mijzelf eerder agnost*. Dat is geloof ik iemand die het niet weet. Er kan iets zijn, maar ook net zo goed niet. Hoe zou ik dat moeten weten? Voor mijn leven was er niets, dus waarom zou er na mijn leven ('na de dood' bestaat strikt genomen niet, hooguit 'tijdens de dood') ineens wel iets moeten zijn? Er zijn mensen die daarop zeggen dat er hiervoor wel iets was, maar dat ik dat dan niet meer weet. Dat klinkt mij nogal vaag in de oren. Aan de andere kant, de visie die ik hierna ga bespreken klinkt misschien nog wel vager. Je kunt deze visie geen religie noemen, eerder een filosofie, een mogelijke filosofie, want er zijn er zoveel mogelijk. Misschien zit het als volgt.
Het heelal is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn. In het universum is er een vaste hoeveelheid materie. Waarom dat precies zoveel is als het is, dat weet niemand, het is er gewoon. Er komt niets bij en er gaat niets af. Ik kan het het best duidelijk maken aan de hand van het voorbeeld van het water. Alle water op aarde is altijd in dezelfde hoeveelheid aanwezig. Het verdampt, wordt door het toilet gespoeld of gedronken, maar het condenseert weer, het komt in het riool en in het oppervlaktewater terecht en het wordt weer uitgeplast of in ons lichaam bewaard (wij bestaan immers voor 80 % uit water weet u wel?) of uitgezweet. Zelfs als uit water waterstof wordt gewonnen blijven de afzonderlijke atomen behouden. Laat ik het dan zo zeggen: er is in het universum een vast aantal atomen en die blijft gelijk. Volgens Einstein kan materie wel worden omgezet in energie, maar ook die blijft in de een of andere vorm behouden.
Zou het met het leven ook zo zijn? Voor mijn gevoel ben ik er altijd geweest en zal ik er altijd zijn. Er is een tijd geweest, neem de Middeleeuwen, dat ik nog niet geboren was. Ik kan mij dan ook niet herinneren dat ik die tijd heb meegemaakt en toch is er voor mijn gevoel nooit een moment geweest dat ik er ineens was, zoals dat voor mijn ouders wel gold. Nogmaals, het lijkt of ik er altijd ben geweest, ook al is dat lijfelijk niet het geval. Geestelijk dan wel? Is dat eeuwig leven? Dat alles er altijd is geweest en er altijd zal zijn, dus ook ik, zei het niet fysiek, maar geestelijk? Is de geest trouwens hetzelfde als de ziel? Áls er 'iets' (daar heb je het) is, dan geloof ik niet dat je moet denken aan aparte zielen. Dus dat ieder mens, of dier, zijn eigen ziel heeft. Ik denk dan eerder aan één grote, gemeenschappelijke ziel waar wij allen, mens én dier, op aangesloten zijn met een soort virtuele stekker. De mate waarin men kan denken (de mens een beetje meer dan het dier) bepaalt de mate van bewustzijn van zichzelf en van die gemeenschappelijke ziel, die trouwens van alle tijden is. Deze theorie zou in ieder geval verklaren hoe het komt dat veel mensen het gevoel hebben dat ze in contact staan met anderen, zelfs met personen in het verleden. Als het zo zit, nogmaals áls, dan denk ik dat die Universele Ziel God is, met goede en slechte eigenschappen (in het Oude Testament is God immers ook net een mens, die goede dingen doet, maar ook verschrikkelijk boos en zelfs rancuneus kan zijn; rampen en plagen komen meer dan eens voor). Ik denk dan ook niet in termen van goed of slecht in de ogen van God. Goed en slecht zitten beide in zowel God (lees: de Universele Ziel) als wijzelf, mens en dier, juist omdat wij één zijn met die goddelijke ziel.
Was mijn verhaal inderdaad wazig of begrijpt u wel wat ik bedoel? Ik laat iedereen in zijn waarde. U mag geloven wat u wilt. Mijn makke is alleen dat wanneer ik deze filosofie in mijn omgeving uit, men zich vaak aangevallen voelt. Nu, dat is absoluut niet mijn bedoeling. De hier verwoorde opvatting is slechts één uit vele. Iedereen mag er het zijne van denken.
Naar aanleiding van mijn artikel over die draaglijke onzekerheid kreeg ik een mail van een familielid waarin zij schreef dat zij niets met het artikel kon. Voor haar spelen God en Jezus een wezenlijke rol in haar leven, in 'normale' religieuze zin. Prima. Ik heb haar teruggemaild en haar net als hier duidelijk gemaakt dat ik mijn geen gelovige, laat staan christen noem, maar dat ik haar religieuze mening volledig respecteer. Zij reageerde daar weer uiterst positief op, dus tot een slopende familievete zal het waarschijnlijk niet komen.
Maar, ik heb het al eerder geschreven, we zullen er waarschijnlijk nooit in ons bewuste, fysieke leven achter komen hoe het werkelijk in elkaar steekt. Zelfs al kunnen we wetenschappelijk 99,999 % van alles om ons heen verklaren, dan is er altijd nog 0,001 % over dat niet te verklaren is. Ook dát zou je God kunnen noemen. Maar eigenlijk is dat weer een andere filosofie.
* http://nl.wikipedia.org/wiki/Agnosticisme
Onlangs schreef ik op dit weblog over religie in het artikel "De draaglijke onzekerheid van het bestaan". Hoe ik er zelf over denk is misschien niet helemaal uit dat artikel duidelijk geworden. Uit het stukje van vorige week getiteld "Op straat" is hopelijk wel gebleken dat ik geen ietsist ben en mij ook niet zo laat noemen. Het stukje was dan ook geheel fictie. Ik ben niet die persoon die in het 'Iets' gelooft. Ik noem mijzelf eerder agnost*. Dat is geloof ik iemand die het niet weet. Er kan iets zijn, maar ook net zo goed niet. Hoe zou ik dat moeten weten? Voor mijn leven was er niets, dus waarom zou er na mijn leven ('na de dood' bestaat strikt genomen niet, hooguit 'tijdens de dood') ineens wel iets moeten zijn? Er zijn mensen die daarop zeggen dat er hiervoor wel iets was, maar dat ik dat dan niet meer weet. Dat klinkt mij nogal vaag in de oren. Aan de andere kant, de visie die ik hierna ga bespreken klinkt misschien nog wel vager. Je kunt deze visie geen religie noemen, eerder een filosofie, een mogelijke filosofie, want er zijn er zoveel mogelijk. Misschien zit het als volgt.
Het heelal is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn. In het universum is er een vaste hoeveelheid materie. Waarom dat precies zoveel is als het is, dat weet niemand, het is er gewoon. Er komt niets bij en er gaat niets af. Ik kan het het best duidelijk maken aan de hand van het voorbeeld van het water. Alle water op aarde is altijd in dezelfde hoeveelheid aanwezig. Het verdampt, wordt door het toilet gespoeld of gedronken, maar het condenseert weer, het komt in het riool en in het oppervlaktewater terecht en het wordt weer uitgeplast of in ons lichaam bewaard (wij bestaan immers voor 80 % uit water weet u wel?) of uitgezweet. Zelfs als uit water waterstof wordt gewonnen blijven de afzonderlijke atomen behouden. Laat ik het dan zo zeggen: er is in het universum een vast aantal atomen en die blijft gelijk. Volgens Einstein kan materie wel worden omgezet in energie, maar ook die blijft in de een of andere vorm behouden.
Zou het met het leven ook zo zijn? Voor mijn gevoel ben ik er altijd geweest en zal ik er altijd zijn. Er is een tijd geweest, neem de Middeleeuwen, dat ik nog niet geboren was. Ik kan mij dan ook niet herinneren dat ik die tijd heb meegemaakt en toch is er voor mijn gevoel nooit een moment geweest dat ik er ineens was, zoals dat voor mijn ouders wel gold. Nogmaals, het lijkt of ik er altijd ben geweest, ook al is dat lijfelijk niet het geval. Geestelijk dan wel? Is dat eeuwig leven? Dat alles er altijd is geweest en er altijd zal zijn, dus ook ik, zei het niet fysiek, maar geestelijk? Is de geest trouwens hetzelfde als de ziel? Áls er 'iets' (daar heb je het) is, dan geloof ik niet dat je moet denken aan aparte zielen. Dus dat ieder mens, of dier, zijn eigen ziel heeft. Ik denk dan eerder aan één grote, gemeenschappelijke ziel waar wij allen, mens én dier, op aangesloten zijn met een soort virtuele stekker. De mate waarin men kan denken (de mens een beetje meer dan het dier) bepaalt de mate van bewustzijn van zichzelf en van die gemeenschappelijke ziel, die trouwens van alle tijden is. Deze theorie zou in ieder geval verklaren hoe het komt dat veel mensen het gevoel hebben dat ze in contact staan met anderen, zelfs met personen in het verleden. Als het zo zit, nogmaals áls, dan denk ik dat die Universele Ziel God is, met goede en slechte eigenschappen (in het Oude Testament is God immers ook net een mens, die goede dingen doet, maar ook verschrikkelijk boos en zelfs rancuneus kan zijn; rampen en plagen komen meer dan eens voor). Ik denk dan ook niet in termen van goed of slecht in de ogen van God. Goed en slecht zitten beide in zowel God (lees: de Universele Ziel) als wijzelf, mens en dier, juist omdat wij één zijn met die goddelijke ziel.
Was mijn verhaal inderdaad wazig of begrijpt u wel wat ik bedoel? Ik laat iedereen in zijn waarde. U mag geloven wat u wilt. Mijn makke is alleen dat wanneer ik deze filosofie in mijn omgeving uit, men zich vaak aangevallen voelt. Nu, dat is absoluut niet mijn bedoeling. De hier verwoorde opvatting is slechts één uit vele. Iedereen mag er het zijne van denken.
Naar aanleiding van mijn artikel over die draaglijke onzekerheid kreeg ik een mail van een familielid waarin zij schreef dat zij niets met het artikel kon. Voor haar spelen God en Jezus een wezenlijke rol in haar leven, in 'normale' religieuze zin. Prima. Ik heb haar teruggemaild en haar net als hier duidelijk gemaakt dat ik mijn geen gelovige, laat staan christen noem, maar dat ik haar religieuze mening volledig respecteer. Zij reageerde daar weer uiterst positief op, dus tot een slopende familievete zal het waarschijnlijk niet komen.
Maar, ik heb het al eerder geschreven, we zullen er waarschijnlijk nooit in ons bewuste, fysieke leven achter komen hoe het werkelijk in elkaar steekt. Zelfs al kunnen we wetenschappelijk 99,999 % van alles om ons heen verklaren, dan is er altijd nog 0,001 % over dat niet te verklaren is. Ook dát zou je God kunnen noemen. Maar eigenlijk is dat weer een andere filosofie.
* http://nl.wikipedia.org/wiki/Agnosticisme
De kunst van het beroemd zijn
Leest u ook wel eens van die berichten in de media, waarin verteld wordt hoeveel een acteur of andere beroemdheid verdient? Miljoenen gaan er in om. Soms denk ik wel eens “Ik heb toch iets verkeerd gedaan in mijn leven.” Maar daarentegen vind ik het wel goed zo. Ik heb alles wat ik nodig heb: eten, drinken, een dak boven mijn hoofd en een vrouw die van mij houdt. De hele dag in de schijnwerpers staan zoals die beroemdheden is ook niet alles. En trouwens, als Will Smith in 2007 een slordige vijftig miljoen dollar heeft verdiend dan is dat enerzijds een exorbitant bedrag, maar aan de andere kant, hij bezorgt veel mensen een boel plezier met zijn films. Hoewel het ook wel een ietsje minder mag. Bovendien ben ik niet zijn grootste fan, maar smaken verschillen.
Onze vriend Microsoft-oprichter Bill Gates is één van de rijkste mensen op aarde. Het is hem gegund. Hij heeft veel betekend voor de populariteit van de personal computer, al zijn de meningen verdeeld over zijn Windows, en hij geeft veel geld weg aan goede doelen. Niet dat hij daar zelf een toastje kaviaar minder door zal hoeven eten, maar hij doet tenminste iets nuttigs met zijn geld.
Popsterren als Bono en Paul McCartney zijn ook dik binnen, maar hun muziek is een inspiratie voor vele mensen, en vooral Bono zet zich enorm in voor de mensheid, dus waar zeur ik over?
Er zijn echter ook beroemdheden, of “celebs” zoals ze tegenwoordig in goed Nederlands worden genoemd, die alleen maar beroemd zijn om het beroemd zijn. Een soort “L’art pour l’art”. Het beste voorbeeld daarvan vind ik Paris Hilton. Ze schijnt een nazaat te zijn van de oprichter van de Hilton hotelketen en ze moet in één of meer soaps gespeeld hebben, maar eigenlijk ken ik haar alleen maar, omdat ze met grote regelmaat in het nieuws is. En meestal in niet al te positieve zin en dan druk ik mij zacht uit. Ze is nogal eens opgepakt wegens dronken achter het stuur zitten en meer van dat soort vergrijpen. Nou lijkt het mij nooit leuk om in de bak te zitten, maar ze maakt het er zelf naar en het lijkt wel of ze er niet zo mee zit. Het levert weer lekker veel publiciteit op die haar, ondanks het feit dat het negatieve publiciteit is, op de een of andere manier geen windeieren legt. Ze blijft onverminderd populair en verdient bakken met geld, waarmee kwistig wordt rondgestrooid. Zou ik zo willen leven? Nee dank je. Ik wil best een beetje bekend zijn, maar niet op zo’n manier.
En zo zijn er meer van die sterretjes - opvallend genoeg meestal vrouwen; blijkbaar is vrouwelijke schoonheid een goede bron van inkomsten - die met mooi zijn en gekke dingen doen in het nieuws blijven en daardoor voor allerlei schnabbels gevraagd worden, zodat het geld rijkelijk kan blijven rollen. Ach ja, en zo blijven de rijken rijk. Ik heet alleen maar zo.
Onze vriend Microsoft-oprichter Bill Gates is één van de rijkste mensen op aarde. Het is hem gegund. Hij heeft veel betekend voor de populariteit van de personal computer, al zijn de meningen verdeeld over zijn Windows, en hij geeft veel geld weg aan goede doelen. Niet dat hij daar zelf een toastje kaviaar minder door zal hoeven eten, maar hij doet tenminste iets nuttigs met zijn geld.
Popsterren als Bono en Paul McCartney zijn ook dik binnen, maar hun muziek is een inspiratie voor vele mensen, en vooral Bono zet zich enorm in voor de mensheid, dus waar zeur ik over?
Er zijn echter ook beroemdheden, of “celebs” zoals ze tegenwoordig in goed Nederlands worden genoemd, die alleen maar beroemd zijn om het beroemd zijn. Een soort “L’art pour l’art”. Het beste voorbeeld daarvan vind ik Paris Hilton. Ze schijnt een nazaat te zijn van de oprichter van de Hilton hotelketen en ze moet in één of meer soaps gespeeld hebben, maar eigenlijk ken ik haar alleen maar, omdat ze met grote regelmaat in het nieuws is. En meestal in niet al te positieve zin en dan druk ik mij zacht uit. Ze is nogal eens opgepakt wegens dronken achter het stuur zitten en meer van dat soort vergrijpen. Nou lijkt het mij nooit leuk om in de bak te zitten, maar ze maakt het er zelf naar en het lijkt wel of ze er niet zo mee zit. Het levert weer lekker veel publiciteit op die haar, ondanks het feit dat het negatieve publiciteit is, op de een of andere manier geen windeieren legt. Ze blijft onverminderd populair en verdient bakken met geld, waarmee kwistig wordt rondgestrooid. Zou ik zo willen leven? Nee dank je. Ik wil best een beetje bekend zijn, maar niet op zo’n manier.
En zo zijn er meer van die sterretjes - opvallend genoeg meestal vrouwen; blijkbaar is vrouwelijke schoonheid een goede bron van inkomsten - die met mooi zijn en gekke dingen doen in het nieuws blijven en daardoor voor allerlei schnabbels gevraagd worden, zodat het geld rijkelijk kan blijven rollen. Ach ja, en zo blijven de rijken rijk. Ik heet alleen maar zo.
maandag 18 augustus 2008
Op straat
“Ga jij trouwens wel eens naar de kerk?”
“Nee, eigenlijk niet.”
“Oh, maar wel af en toe dus?”
“Hoezo?”
“Nou, je zei ‘eigenlijk’, dus zeg je eigenlijk dat je wel eens gaat.”
“Oh jee, versproken. Nou, dan zal ik het je maar eerlijk zeggen. Ik ging vroeger wel, maar nu niet meer. Ik geloof nog wel, maar ik heb geen zin meer in de kerk.”
“Waarom dan niet?”
“Nou, altijd hetzelfde gedoe. Welkom heten, een gebed, zingen, uit de bijbel lezen, zingen, preek. Soms wordt er een kind gedoopt of delen ze brood en wijn uit om de Heer te gedenken. Het zijn allemaal van die rituelen waar ik niet meer op zit te wachten.”
“Rituelen?”
“Ja, rituelen. Het gaat allemaal volgens een vast stramien en dat spreekt me niet meer aan. Trouwens, ik geloof niet meer zo strak in alles wat ze je in de kerk willen wijs maken.”
“Maar wat bedoel je dan met 'de kerk', want er zijn er zoveel.”
“Nou, de kerk waar ik vroeger heen ging. En misschien bedoel ik wel de kerk in het algemeen.”
“En wat willen ze je dan wijs maken?”
“Gewoon, van alles. Maar ik heb zo mijn eigen opvattingen. Ik geloof op mijn eigen manier. Ik doe een beetje aan relishoppen.”
“Relishoppen?”
“Ja, relishoppen. Je weet wel, je geloof bij elkaar sprokkelen. Beetje kijken op internet, af en toe hoor ik eens wat van een kennis. Zo gaat dat.”
“Dus je stelt eigenlijk je eigen geloofje samen?”
“Ja, zoiets.”
“En, heb je er wat aan?”
“Ik vind van wel ja. Ik voel me er goed bij, hoe ik geloof.”
“En hoe geloof jij dan?”
“Nou, niet te letterlijk. Ik geloof wel dat er iets is, maar of dat nou God of Jezus of wat anders is, dat maakt me niet uit. En voor de rest probeer ik zo goed mogelijk te leven. Goed voor anderen zijn en zo.”
“Dus je bent eigenlijk een ietsist?”
“Een wat?”
“Een ietsist.”
“Wat is dat?”
“Nou, jij dus. Iemand die in ‘iets’ gelooft.”
“Ja, maak het nou helemaal effe. Ik laat me niet in een hokje duwen. Ook daarom ben ik nou juist uit de kerk gestapt. Ik geloof dat ik dit gesprek maar gaan beëindigen. Ik wens je een prettige dag verder en hopelijk niet tot ziens.”
..............................
..............................
..............................
“Nee, eigenlijk niet.”
“Oh, maar wel af en toe dus?”
“Hoezo?”
“Nou, je zei ‘eigenlijk’, dus zeg je eigenlijk dat je wel eens gaat.”
“Oh jee, versproken. Nou, dan zal ik het je maar eerlijk zeggen. Ik ging vroeger wel, maar nu niet meer. Ik geloof nog wel, maar ik heb geen zin meer in de kerk.”
“Waarom dan niet?”
“Nou, altijd hetzelfde gedoe. Welkom heten, een gebed, zingen, uit de bijbel lezen, zingen, preek. Soms wordt er een kind gedoopt of delen ze brood en wijn uit om de Heer te gedenken. Het zijn allemaal van die rituelen waar ik niet meer op zit te wachten.”
“Rituelen?”
“Ja, rituelen. Het gaat allemaal volgens een vast stramien en dat spreekt me niet meer aan. Trouwens, ik geloof niet meer zo strak in alles wat ze je in de kerk willen wijs maken.”
“Maar wat bedoel je dan met 'de kerk', want er zijn er zoveel.”
“Nou, de kerk waar ik vroeger heen ging. En misschien bedoel ik wel de kerk in het algemeen.”
“En wat willen ze je dan wijs maken?”
“Gewoon, van alles. Maar ik heb zo mijn eigen opvattingen. Ik geloof op mijn eigen manier. Ik doe een beetje aan relishoppen.”
“Relishoppen?”
“Ja, relishoppen. Je weet wel, je geloof bij elkaar sprokkelen. Beetje kijken op internet, af en toe hoor ik eens wat van een kennis. Zo gaat dat.”
“Dus je stelt eigenlijk je eigen geloofje samen?”
“Ja, zoiets.”
“En, heb je er wat aan?”
“Ik vind van wel ja. Ik voel me er goed bij, hoe ik geloof.”
“En hoe geloof jij dan?”
“Nou, niet te letterlijk. Ik geloof wel dat er iets is, maar of dat nou God of Jezus of wat anders is, dat maakt me niet uit. En voor de rest probeer ik zo goed mogelijk te leven. Goed voor anderen zijn en zo.”
“Dus je bent eigenlijk een ietsist?”
“Een wat?”
“Een ietsist.”
“Wat is dat?”
“Nou, jij dus. Iemand die in ‘iets’ gelooft.”
“Ja, maak het nou helemaal effe. Ik laat me niet in een hokje duwen. Ook daarom ben ik nou juist uit de kerk gestapt. Ik geloof dat ik dit gesprek maar gaan beëindigen. Ik wens je een prettige dag verder en hopelijk niet tot ziens.”
..............................
..............................
..............................
dinsdag 12 augustus 2008
Stoomcursus
Na een afwezigheid van bijna een week weer even een teken van leven. Ben weer te fanatiek bezig geweest met lezen en daardoor schoot het schrijven er bij in. U had al begrepen dat ik bezig was in “De eeuw van mijn vader” van Geert Mak. Een aanrader voor eenieder die geïnteresseerd is in vaderlandse geschiedenis, maar een hekel heeft aan de toon van een school- of studieboek. Ruim vijfhonderd pagina’s die, ondanks dat ze vlot worden gebracht niet al te vlot lezen vanwege de vele feiten die genoemd worden, waarbij vaak even moet worden stilgestaan. Het boek probeert het midden te houden tussen roman en geschiedenisboek, maar neigt toch meer naar het laatste. Door de vele persoonlijke familietaferelen en –gebeurtenissen leef je echter mee met de voorvaderen van de schrijver en is het jammer als na een dag of vijf ingespannen lezen het boek uit is. Je legt het weg met een diepe zucht, niet van opluchting, maar omdat het boek je zo aangrijpt.
Maar intussen heb ik alweer twee andere boeken gelezen. Nog eentje van Milan Kundera (Weet u nog? De auteur van “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan”) getiteld “Identiteit” (172 pagina’s) en één van Adriaan van Dis, “Dubbelliefde” (net als Mak geen dunnetje, 363 pagina’s, maar het boek leest toch vlot). Bepaald niet zijn laatste roman, maar u weet het inmiddels: doordat ik de meeste van mijn boeken bij elkaar sprokkel via de Kringloop loop ik wat achter. Edoch, goede literatuur is voor eeuwig en niet aan de actualiteit gebonden, dus die kun je over honderd jaar nog lezen. Voor Multatuli en Couperus is dat al gebleken, al heb ik het onaangename vermoeden, en in de media wordt dat ook wel een beetje bevestigd, dat de huidige generatie wat weinig leest, dus al helemaal geen schrijvers uit de “Oude doos”. Maar goed, over het verval van de jeugd heb ik al eerder geschreven, dus ik laat het hierbij.
Een veelgehoorde klacht bij mensen die nog niet zolang geleden zijn begonnen met het lezen van “echte” literatuur, vaak op mijn aanraden, is dat het zo moeilijk leest of dat de auteur zo moeilijk schrijft. De vraag die ik hun dan meestal stel is “Wat bedoel je met moeilijk”? Vaak begint men dan over woorden die men niet kent, lange zinnen, van de hak op de tak springen (bedoeld wordt het verspringen van tijd en vertelstandpunt, twee technieken die vaak in de literatuur worden toegepast) en zo wordt een aantal bezwaren opgesomd.
Dan volgt hier de mini-cursus “Hoe lees ik Literatuur?” door drs. R.E. Zandstra, taal- en literatuurwetenschapper.
- Zoek een plekje waar u ongestoord kunt gaan lezen. Dat is voor iedereen anders: een stoel in een aparte kamer, het bed of buiten in een zonovergoten tuin (een zeldzaamheid deze zomer);
- Houd een goed woordenboek bij de hand, bijvoorbeeld Van Dale of Koenen;
- Denk niet bij de eerste de beste tijd-, plaats- of gedachtensprong “Ik snap het niet meer”, maar lees nèt even een stukje verder; vaak komt u dan vanzelf achter de bedoeling of betekenis;
- Laat u niet afschrikken door zogenaamde moeilijke woorden of lange zinnen (ik heb al eens in een eerder stukje geschreven dat literatuur niet altijd zo is, vaak niet zelfs, maar dat idee heerst nogal). U kunt altijd terugvallen op uw woordenboek en als u geconcentreerd leest, en dat moet lukken op een rustige plek, dan blijkt zo’n lange zin vaak niet meer dan een aantal korte zinnen die met voegwoorden en andere verbindingen aan elkaar zijn gesmeed;
- Tot slot: ook voor het lezen van literatuur geldt: oefening baart kunst. Laat u niet afschrikken. Hoe meer boeken u leest, hoe gemakkelijker het u zal vergaan. Voorbeeld: dat boek van Adriaan van Dis, “Dubbelliefde”, verspringt vaak van vertelstandpunt. Van de ik-vorm gaat het ineens over in de hij-vorm, maar dat gebeurt altijd op een moment dat de schrijver/verteller zich bij die gebeurtenis een ander mens waant. Ineens is hij “Nachtmens” (die ’s nachts op pad gaat om met mannen of travestieten, een enkele keer een vrouwelijke prostitué, de liefde te bedrijven), of “Beer” als hij het schatje van Maud is.
Kortom, literatuur went. Op een gegeven moment heeft u geen woordenboek meer nodig, want uw taal is inmiddels verrijkt. Bovendien zult u merken dat het vooroordeel van “Moeilijke woorden” grotendeels onterecht is, want zo hoogdravend is de meeste literatuur niet. En u leert literaire technieken herkennen, waardoor u elk volgend boek steeds sneller gaat lezen. Niet dat u het af moet raffelen, het moet genieten blijven en niet uitmonden in een wedstrijd. En, omdat het gaat om genieten: staat een boek u ècht niet aan, stop er dan gewoon mee. Geef echter niet na een paar bladzijden al op, verderop kan het meevallen en kan een boek je toch ineens bij de lurven grijpen en meevoeren.
Steekt u wat op van literatuur lezen? Uiteraard. U onderhoudt uw kennis van en vaardigheid in de Nederlandse taal, wat de door mij al eens aangekaarte verloedering tegengaat, en u leert heel veel van de gedachtenwereld van veel verschillende mensen, ook al is dat misschien niet altijd úw gedachtenwereld. Toch kan het geen kwaad je in een ander te verplaatsen. Daarnaast steekt u wellicht wat op van andere culturen, filosofie en andere leerzame onderwerpen.
En dan nog, al zou je er niets van leren, als je met plezier leest ben je niemand tot last en heb je er een aangenaam tijdverdrijf bij.
Maar intussen heb ik alweer twee andere boeken gelezen. Nog eentje van Milan Kundera (Weet u nog? De auteur van “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan”) getiteld “Identiteit” (172 pagina’s) en één van Adriaan van Dis, “Dubbelliefde” (net als Mak geen dunnetje, 363 pagina’s, maar het boek leest toch vlot). Bepaald niet zijn laatste roman, maar u weet het inmiddels: doordat ik de meeste van mijn boeken bij elkaar sprokkel via de Kringloop loop ik wat achter. Edoch, goede literatuur is voor eeuwig en niet aan de actualiteit gebonden, dus die kun je over honderd jaar nog lezen. Voor Multatuli en Couperus is dat al gebleken, al heb ik het onaangename vermoeden, en in de media wordt dat ook wel een beetje bevestigd, dat de huidige generatie wat weinig leest, dus al helemaal geen schrijvers uit de “Oude doos”. Maar goed, over het verval van de jeugd heb ik al eerder geschreven, dus ik laat het hierbij.
Een veelgehoorde klacht bij mensen die nog niet zolang geleden zijn begonnen met het lezen van “echte” literatuur, vaak op mijn aanraden, is dat het zo moeilijk leest of dat de auteur zo moeilijk schrijft. De vraag die ik hun dan meestal stel is “Wat bedoel je met moeilijk”? Vaak begint men dan over woorden die men niet kent, lange zinnen, van de hak op de tak springen (bedoeld wordt het verspringen van tijd en vertelstandpunt, twee technieken die vaak in de literatuur worden toegepast) en zo wordt een aantal bezwaren opgesomd.
Dan volgt hier de mini-cursus “Hoe lees ik Literatuur?” door drs. R.E. Zandstra, taal- en literatuurwetenschapper.
- Zoek een plekje waar u ongestoord kunt gaan lezen. Dat is voor iedereen anders: een stoel in een aparte kamer, het bed of buiten in een zonovergoten tuin (een zeldzaamheid deze zomer);
- Houd een goed woordenboek bij de hand, bijvoorbeeld Van Dale of Koenen;
- Denk niet bij de eerste de beste tijd-, plaats- of gedachtensprong “Ik snap het niet meer”, maar lees nèt even een stukje verder; vaak komt u dan vanzelf achter de bedoeling of betekenis;
- Laat u niet afschrikken door zogenaamde moeilijke woorden of lange zinnen (ik heb al eens in een eerder stukje geschreven dat literatuur niet altijd zo is, vaak niet zelfs, maar dat idee heerst nogal). U kunt altijd terugvallen op uw woordenboek en als u geconcentreerd leest, en dat moet lukken op een rustige plek, dan blijkt zo’n lange zin vaak niet meer dan een aantal korte zinnen die met voegwoorden en andere verbindingen aan elkaar zijn gesmeed;
- Tot slot: ook voor het lezen van literatuur geldt: oefening baart kunst. Laat u niet afschrikken. Hoe meer boeken u leest, hoe gemakkelijker het u zal vergaan. Voorbeeld: dat boek van Adriaan van Dis, “Dubbelliefde”, verspringt vaak van vertelstandpunt. Van de ik-vorm gaat het ineens over in de hij-vorm, maar dat gebeurt altijd op een moment dat de schrijver/verteller zich bij die gebeurtenis een ander mens waant. Ineens is hij “Nachtmens” (die ’s nachts op pad gaat om met mannen of travestieten, een enkele keer een vrouwelijke prostitué, de liefde te bedrijven), of “Beer” als hij het schatje van Maud is.
Kortom, literatuur went. Op een gegeven moment heeft u geen woordenboek meer nodig, want uw taal is inmiddels verrijkt. Bovendien zult u merken dat het vooroordeel van “Moeilijke woorden” grotendeels onterecht is, want zo hoogdravend is de meeste literatuur niet. En u leert literaire technieken herkennen, waardoor u elk volgend boek steeds sneller gaat lezen. Niet dat u het af moet raffelen, het moet genieten blijven en niet uitmonden in een wedstrijd. En, omdat het gaat om genieten: staat een boek u ècht niet aan, stop er dan gewoon mee. Geef echter niet na een paar bladzijden al op, verderop kan het meevallen en kan een boek je toch ineens bij de lurven grijpen en meevoeren.
Steekt u wat op van literatuur lezen? Uiteraard. U onderhoudt uw kennis van en vaardigheid in de Nederlandse taal, wat de door mij al eens aangekaarte verloedering tegengaat, en u leert heel veel van de gedachtenwereld van veel verschillende mensen, ook al is dat misschien niet altijd úw gedachtenwereld. Toch kan het geen kwaad je in een ander te verplaatsen. Daarnaast steekt u wellicht wat op van andere culturen, filosofie en andere leerzame onderwerpen.
En dan nog, al zou je er niets van leren, als je met plezier leest ben je niemand tot last en heb je er een aangenaam tijdverdrijf bij.
woensdag 6 augustus 2008
De dag van mijn dochter
Vandaag geen lange column, maar wel iets opvallends. Het is misschien niet wereldschokkend, maar toch wilde ik het even kwijt.
Deze dag, 6 augustus 2008, de zeventiende verjaardag van mijn dochter Maaike Zandstra, lees ik in het boek “De eeuw van mijn vader” van Geert Mak op pagina 68 (6/8, 6 augustus) het volgende: “Zo waren er honderden, zo niet duizenden, en beide broers wilden maar al te graag deel uit maken van dit keurkorps. Petrus begon les te geven aan een armenschool en trouwde met Maaike Zandstra, de dochter van een van de oudste voorlieden van de SDAP. Avond aan avond was hij op pad als propagandist voor de sociaal-democraten, terwijl mijn tante Maai hem na schooltijd opwachtte met een pannetje eten.”
Nu had ik al eens gehoord dat de voor- én achternaam van mijn dochter in dit boek voorkwamen, maar aan het dikke boek van Mak was ik nog niet eerder toegekomen en ik was het een beetje vergeten, totdat ik uitgerekend vandaag, op haar verjaardag, haar naam tegenkwam en nog wel op die pagina. Dat vond ik frappant.
Deze dag, 6 augustus 2008, de zeventiende verjaardag van mijn dochter Maaike Zandstra, lees ik in het boek “De eeuw van mijn vader” van Geert Mak op pagina 68 (6/8, 6 augustus) het volgende: “Zo waren er honderden, zo niet duizenden, en beide broers wilden maar al te graag deel uit maken van dit keurkorps. Petrus begon les te geven aan een armenschool en trouwde met Maaike Zandstra, de dochter van een van de oudste voorlieden van de SDAP. Avond aan avond was hij op pad als propagandist voor de sociaal-democraten, terwijl mijn tante Maai hem na schooltijd opwachtte met een pannetje eten.”
Nu had ik al eens gehoord dat de voor- én achternaam van mijn dochter in dit boek voorkwamen, maar aan het dikke boek van Mak was ik nog niet eerder toegekomen en ik was het een beetje vergeten, totdat ik uitgerekend vandaag, op haar verjaardag, haar naam tegenkwam en nog wel op die pagina. Dat vond ik frappant.
Abonneren op:
Posts (Atom)