maandag 18 augustus 2008

Op straat

“Ga jij trouwens wel eens naar de kerk?”
“Nee, eigenlijk niet.”
“Oh, maar wel af en toe dus?”
“Hoezo?”
“Nou, je zei ‘eigenlijk’, dus zeg je eigenlijk dat je wel eens gaat.”
“Oh jee, versproken. Nou, dan zal ik het je maar eerlijk zeggen. Ik ging vroeger wel, maar nu niet meer. Ik geloof nog wel, maar ik heb geen zin meer in de kerk.”
“Waarom dan niet?”
“Nou, altijd hetzelfde gedoe. Welkom heten, een gebed, zingen, uit de bijbel lezen, zingen, preek. Soms wordt er een kind gedoopt of delen ze brood en wijn uit om de Heer te gedenken. Het zijn allemaal van die rituelen waar ik niet meer op zit te wachten.”
“Rituelen?”
“Ja, rituelen. Het gaat allemaal volgens een vast stramien en dat spreekt me niet meer aan. Trouwens, ik geloof niet meer zo strak in alles wat ze je in de kerk willen wijs maken.”
“Maar wat bedoel je dan met 'de kerk', want er zijn er zoveel.”
“Nou, de kerk waar ik vroeger heen ging. En misschien bedoel ik wel de kerk in het algemeen.”
“En wat willen ze je dan wijs maken?”
“Gewoon, van alles. Maar ik heb zo mijn eigen opvattingen. Ik geloof op mijn eigen manier. Ik doe een beetje aan relishoppen.”
“Relishoppen?”
“Ja, relishoppen. Je weet wel, je geloof bij elkaar sprokkelen. Beetje kijken op internet, af en toe hoor ik eens wat van een kennis. Zo gaat dat.”
“Dus je stelt eigenlijk je eigen geloofje samen?”
“Ja, zoiets.”
“En, heb je er wat aan?”
“Ik vind van wel ja. Ik voel me er goed bij, hoe ik geloof.”
“En hoe geloof jij dan?”
“Nou, niet te letterlijk. Ik geloof wel dat er iets is, maar of dat nou God of Jezus of wat anders is, dat maakt me niet uit. En voor de rest probeer ik zo goed mogelijk te leven. Goed voor anderen zijn en zo.”
“Dus je bent eigenlijk een ietsist?”
“Een wat?”
“Een ietsist.”
“Wat is dat?”
“Nou, jij dus. Iemand die in ‘iets’ gelooft.”
“Ja, maak het nou helemaal effe. Ik laat me niet in een hokje duwen. Ook daarom ben ik nou juist uit de kerk gestapt. Ik geloof dat ik dit gesprek maar gaan beĆ«indigen. Ik wens je een prettige dag verder en hopelijk niet tot ziens.”
..............................
..............................
..............................