maandag 8 september 2008

Wie schrijft die blijft, wie musiceert triomfeert

Wanneer u mijn profiel bekijkt, dan kunt u mijn voorkeuren lezen met betrekking tot literatuur en muziek. Over literatuur heb ik het al regelmatig gehad, dus laat ik het eens over muziek hebben. Ik had u al verteld over die platencollectie van mij (in het artikel “Verveling is een vies woord”), die ik met bloed, zweet en tranen had samengesteld. Het begon al in 1968. Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik van mijn ouders een pick-up. Later, in het HiFi-tijdperk ging men spreken van ‘platenspeler’. Maar ik kreeg een pick-up. Een klein platenspelertje waarvan de draaitafel de grootte had van een 45-toerensingeltje, met een deksel, die je er uiteraard eerst af moest halen en die met een snoertje verbonden was met de pick-up, omdat de luidspreker erin verborgen zat. Die zette je dan rechtop. Ja, één luidspreker, want we hebben het hier over mono. Stereo stond nog in de kinderschoenen. Je kón er een LP op afspelen, er zat een knopje op om te schakelen tussen 33 en 45 toeren per minuut, maar dan stak deze behoorlijk buiten de rand van de draaitafel. LP’s zag je echter nog nauwelijks, ik kende eigenlijk alleen maar singles. Mijn allereerste single was als ik mij goed herinner “World” van The Bee Gees, al kan het ook “Good Vibrations” van The Beach Boys zijn geweest, die ik van mijn oma kreeg. Later kwamen er nog meer Bee Gees bij en plaatjes van The Beatles, The Hollies, The Small Faces, The Move, The Rolling Stones, The Kinks, The Monkees, enfin, vaak Engelse bandjes (op de The Beach Boys en The Monkees na), bijna altijd voorzien van het lidwoord “The”, hetgeen tegenwoordig een uitzondering is. Heel af en toe een Nederlandse band als The Motions en The Tea Set (ook al The). Regelmatig liep ik met mijn zakgeld langs de Delftse grachten naar de platenwinkel. De spanning en sensatie die het kopen en het thuis draaien van het plaatje teweeg brachten is voor de huidige mp3-generatie oninvoelbaar. Dat gevoel is voorgoed verdwenen dankzij de vooruitgang.
In 1974 kreeg ik mijn eerste (en naar later bleek ook laatste, want tot aan mijn eerste CD-speler in 1989 heb ik nooit een andere gekocht of gekregen, want het apparaat was nagenoeg onverslijtbaar) HiFi-platenspeler met magnetodynamisch element. Die had een grotere draaitafel, beter geschikt voor LP’s, en was natuurlijk stereofonisch. In combinatie met een goede versterker en dito koptelefoon leverde dat een voor de jaren zeventig fantastische geluidskwaliteit op. Zeker na dat kleine pick-upje was het een enorme sprong voorwaarts. Eén van mijn eerste LP’s was Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles. Een plaat die toen pas zeven jaar uit was en die nu bekend staat als wellicht de grootste klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek. Later, in 1977, kreeg ik dankzij aanbevelingen van klasgenoten van mijn school interesse voor de progressieve rock van begin jaren zeventig. In die vroege zeventiger jaren zelf was ik er waarschijnlijk nog te jong voor, tussen de tien en de veertien jaar. Voor die muziek, de progrock, moest je toch wat ouder zijn. Pas na meerdere malen luisteren ging ik met name de “oude” Genesis, dat wil zeggen met Peter Gabriel als leadzanger, waarderen. Vlak daarna kwam King Crimson rond gitarist Robert Fripp. Een mengeling van rock en jazz resulterend in een muziek die ongehoord was. Niet iedereen zal er mee weglopen, je moet er van houden. David Bowie is een twijfelgeval. Hij wordt gerekend tot de popmuziek. Hij was dan ook uiterst populair in de periode 1972 (Ziggy Stardust) tot 1983 (Let’s Dance). Elke plaat totaal verschillend en toch goed. Mijn eerste Bowie-plaat was “Heroes” uit 1977, het jaar dat ik oor kreeg voor de progressievere kant van de muziek, waartoe ik Bowie dan ook maar even reken, al waren de hoogtijdagen toen inmiddels voorbij. Maar Bowie ging eigenlijk zijn eigen gang, was niet in te delen. Want al was hij mateloos populair, een plaat als “Heroes” kon je met de beste wil van de wereld geen gewone popplaat noemen. Daar was de muziek veel te afwijkend voor. Wat wil je ook als de zojuist genoemde gitarist Robert Fripp een groot aandeel in de muziek had. De gitaar die de hele tijd door het titelnummer jankt was van zijn hand bespeeld. Maar Bowie kwam er mee weg. Was hij op het moment dat “Heroes” uitkwam niet zo beroemd geweest, dan was die plaat ongetwijfeld nooit zo’n succes geworden, wat achteraf onterecht zou zijn geweest, want hij mag wat mij betreft met Sgt. Pepper’s op een gedeelde eerste plaats staan. Welbeschouwd is de progrock nooit weggeweest. Bands als Marillion, Klaatu, Anekdoten en Gordian Knot pikken of pikten hun graantjes mee, maar doen of deden dat zeker niet onverdienstelijk. En King Crimson bleef, in telkens gewijzigde samenstelling overigens (Fripp was de enige constante factor) terugkomen. In 2003 hebben ze nog een CD uitgebracht. En zelfs naar huidige maarstaven blijft het vooruitstrevend te noemen. Muziek die met niets te vergelijken is.
Tot op heden ben ik mijn liefde voor de progrock niet kwijtgeraakt. Ik mag er nog graag naar luisteren. En wat de muziek van deze tijd betreft gaat mijn voorkeur uit naar muzikanten die hun eigen gang gaan en melodieuze, vaak door The Beatles geïnspireerde muziek maken. Denk aan Keane, Coldplay, R.E.M. en Radio Head. De laatste twee bands bestaan al weer wat langer.
Waar ik niet van houd is jazz (wel in combinatie met rock), blues, en de Nederlandse smartlap. Voor mijn geen André Hazes, Frans Bauer en Jan Smit. Houdt u er wel van, dan is dat uw goed recht. Maar mijn smaak is het niet. De Nederlandstalige popmuziek droeg ik vooral in de jaren tachtig een warm hart toe. Frank Boeijen, Het Goede Doel, Toontje Lager, Het Klein Orkest (Doe Maar doe maar niet), noem maar op. Ook nu nog is er De Dijk en Thé Lau, maar er erg warm voor lopen doe ik niet meer. Hoeveel ik ook van de Nederlandse taal houd, mijn hart ligt toch bij de Engelstalige, in het bijzonder de Britse, muziek.
Tja, en dan is daar nog de klassieke muziek. Zo fanatiek als Maarten ’t Hart, Simon Vestdijk en Paul Witteman zal ik nooit worden, maar bij tijd en wijle zoek ik toch de rust van Mozart, Bach, Chopin, Haydn en Brahms. Even geen vervormde gitaren en rauwe stemmen. Of iets elektronisch als Jean Michel Jarre. Kun je ook heerlijk bij wegdromen. Maar, na een tijdje begint het toch weer te kriebelen en zoek ik weer wat stevigers. Al is de echte hard rock of heavy metal aan mij niet besteed. Daar word ik alleen maar onrustig van.
Terwijl ik dit schrijf luister ik met de koptelefoon naar Gordian Knot vanaf de harde schijf. Een soort neo-King Crimson, maar wel goed en er wordt geen noot in gezongen. Puur instrumentaal dus. Komt ook vaak voor in mijn muziekkeuze, zeker in de progressieve en de elektronische hoek. Bij dezen heb ik meteen verklapt dat de goeie ouwe LP vervangen is door de harde schijf van de computer. Ook heb ik nog een “ouderwetse” tuner-versterker met geluidsboxen en een DVD-speler (CD-spelers zijn al niet meer te koop) voor het afspelen van genoemde glimmende schijfjes. En natuurlijk heb ik ook wel een mp3-spelertje, al is die inmiddels antiek te noemen. Slechts 128 MB ! (kan net twee albums bevatten). Maar die gebruik ik niet zoveel. Tot slot is de auto, waar ik zoals u al uit een eerder stukje hebt begrepen vrij veel in zit, de plek waar ik vaak naar de radio luister (meestal Radio 1 voor de actualiteiten) en af en toe een CD-tje draai.